KENNEL  LUNDEKLIPPE, Noorse Lundehund
Home
Onze honden/Our dogs
Nestjes/Litters
Foto's
Video's
De Lundehund
Geschiedenis
Gezondheid
Voeding
Overige
Links
Contactformulier
 toertje troelly

Geschiedenis van de Noorse Lundehund

 

De Noorse Lundehund, die zijn naam ontleent aan de papegaaiduiker, Lundefugl in het Noors, is een van de zeldzaamste hondenrassen van de wereld, niet alleen om het geringe aantal, maar ook omdat we in één rassoort heel veel ongewone anatomische kenmerken vinden. Sommige van deze kenmerken zien we, zij het zelden, terug bij andere rassen. De Lundehund is zeldzaam, maar dus ook opmerkelijk, want welk hondenras heeft er nu zoveel bijzondere kenmerken? De Lundehund heeft minstens 6 tenen aan elke voet; kan zijn oren sluiten zodat de gehoorgang afgesloten wordt voor vuil en vocht; heeft nekgewrichten die hem in staat stellen het hoofd achterwaarts te buigen, zodat het hoofd de rug raakt - dit is gemakkelijk als de hond zich om moet draaien in nauwe doorgangen. Verder heeft de Lundehund extreem beweeglijke schoudergewrichten, hierdoor kan hij beide voorpoten volledig zijwaarts strekken.

Gespecialiseerd voor de jacht

De bijzondere kenmerken van de Noorse Lundehund waren zeer bruikbaar voor de jacht. De extra tenen gaven de hond een goede grip als hij moest balanceren op steile klippen of glibberige rotsen, en ze waren handig als de hond door moeilijke gangen moest kruipen. De hond gebruikte deze extra teen voor steun en om zichzelf af te remmen op glibberig en oneffen terrein. Hierdoor kon hij op plaatsen komen die niet geschikt waren voor de mens. De kenmerkende schouders stelden de hond in staat om zijn voorpoten te spreiden als hij de grip op een glibberige rots verloor, maar ook om te kunnen draaien in bekrompen ruimtes. De mobiliteit van de nek van de Lundehund was ongetwijfeld zeer nuttig als hij zich moest omkeren om weer uit een gang van een vogelnest te komen. Het is eigenlijk niet te geloven wat de natuur hier heeft geschapen: de Lundehund is zo anders door al zijn kenmerken, dat je je zelf afvraagt: is dit een hond.

Als het kleine vissersdorpje Måstad, op het eiland Værøy op de Lofoten, niet zo geïsoleerd was geweest van de buitenwereld, dan was de Noorse Lundehund nu geschiedenis geweest. De levendige kleine Lundehund is eigenlijk een uitzonderlijk hondenras. Als de inwoners van Måstad niet in een dergelijk isolement hadden geleefd zou het met de Lundehund net als met de gyrfalcon (een grote havik, Falco rusticolus, van de noordelijke hemisfeer) gegaan zijn. In alle andere plaatsen, buiten het eiland, waar de Lundehund vroeger heeft geleefd, was het ras uitgestorven..

Een Merkwaardige Voet (Poot)

De voet van de Lundehund heeft vijf volledig ontwikkelde tenen en één teen met twee botjes, laatstgenoemde lijkt op de duim van de mens. Dit kan duidelijk op een röntgenfoto gezien worden. Er zijn spieren voor het buigen en strekken van deze tenen, ook deze lijken op de spieren in de duim van de mens. Alle andere hondenrassen hebben normaal enkel vier tenen en het bijbehorende spierstelsel. Je zou je af kunnen vragen: waarom hebben zij deze voet? De mensen van Måstad beweren dat een goede Lundehund vele tenen moet hebben.
Wanneer men op het platteland met Lundehunds uitgaat, kan men meteen zien waar deze speciale voet voor dient: als een Lundehund niet in een tunnel kan kruipen omdat er weinig ruimte is, kan hij op zijn zij gaan liggen en zich verder naar binnen drukken. In deze positie maakt hij gebruik van zijn extra tenen. Deze teen houdt contact met de grond. De Lundehund heeft aan elke voorpoot acht voetzooltjes en aan elke achterpoot zeven. De grootte van de voetzooltjes verschilt nogal van die van andere hondenrassen.

De oren kunnen gesloten worden

De oren worden normaal rechtop gedragen. Men kan duidelijk zien hoe een Lundehund zijn oren kan sluiten. Hij beweegt ze voorwaarts of achterwaarts en laat een klein stukje open aan het buitenste deel van het oor. Het is veel moeilijker om te verklaren WAAROM zij dit kenmerk hebben. Duidelijk is het dat het iets te maken heeft met het beschermen van de gehoorgang tegen vuil en water, maar dit is een te gemakkelijke verklaring.
Wij zouden kunnen geloven dat het kenmerk iets te maken heeft met hun behoefte om zich in een smalle gang te kunnen oriënteren. Wanneer in de, meestal smalle, passages het oor plat tegen het hoofd wordt gelegd terwijl de bovenste helft afzonderlijk beweegt, dan kan dat dienen om geluid op te vangen.
De staart wordt gedragen in verschillende posities, volledig afhankelijk van de stemming van de hond. Tijdens spel of rust, wordt de staart licht omhoog gerold. Als de Lundehund opgewekt is of hard rent, wijst de staart recht naar achteren. Als de hond onzeker is of zich niet goed voelt, dan valt de staart naar beneden tussen de achterpoten.

Buitengewone Soepelheid/Mobiliteit

Zij die een Lundehund in een rotsachtig landschap met steile, gladde klippen of in de bergen zien, zijn verwonderd over zijn behendigheid: de hond is volledig aangepast aan het terrein. Naast de bijzondere poot, beschikken ze ook over ongebruikelijke hals- en schouder-gewrichten. De manier waarop een Lundehund zijn hoofd achterwaarts kan bewegen zodat hij met zijn voorhoofd de rug aanraakt, is een kenmerk dat wij niet met zekerheid kunnen verklaren. Bij zoogdieren heeft alleen een rendier dezelfde flexibiliteit. Ook kan de Lundehund met gemak zijn beide voorpoten zijwaarts strekken. Deze flexibiliteit is ook nodig. Om te begrijpen waarom dit zo is, moet je je voorstellen hoe het gebied, waar de Papegaaiduiker leeft, er uit ziet. Steile, gladde rotsen en klippen. Als je hier een Lundehund in actie ziet, dan zie je een supersnelle, "voetvaste" hond. Als een Lundehund niet al deze bijzondere kenmerken had, zou hij nooit zo goed hebben kunnen functioneren bij de jacht op papegaaiduikers. Het is verleidelijk om te vragen of het niet de honderden jaren ervaring is die de Lundehund het gestalte heeft gegeven. Heeft deze hond zich zo goed kunnen aanpassen, of zien wij met de Lundehund misschien iets dat veel ouder is dan de gebruikelijke hond van vandaag? De wetenschapper Torbjorn Aasheim zegt: "wij hebben hier een oud hondenras dat, door het gebied waar het een werkende hond is geweest, kenmerken heeft die niet in andere delen van de wereld niet voorkomen. Wij weten dat het ras genetisch zuiver is. Het ras heeft daarom niet alleen authentieke waarde, en is niet alleen een zeldzaamheid. Het vertegenwoordigt misschien het waardevolste materiaal voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied, waarin wij kunnen leren hoe de erfelijkheid wordt gewijzigd en hoe soorten of een ras zich aan een bepaald milieu aanpast. De wetenschap is nog niet ver genoeg gekomen om al onze vragen te beantwoorden, daarom is het "de hondwetenschap van morgen" waar wij hier van spreken. Het is de verantwoordelijkheid van hondenliefhebbers om ervoor te zorgen dat dit soort en zijn bron niet worden vernietigd. De Lundehund is het laatste voorbeeld van de hondenwereld van het ongestoorde fokken. Het is onze plicht om het als dusdanig te bewaken."
De Lundehund van vandaag heeft vele unieke kenmerken. Het heeft de zelfde kaak als
de Hond Varanger (een hond die in Noord-Lapland, Rusland werd gevonden), die 5000 jaar
geleden leefde. Beide honden hebben één tand minder , aan beide kanten van de kaak, dan andere honden. Sommige wetenschappers stellen dat Lundehunds originele, oerhonden zijn, en dat ze van vóór de laatste IJstijd, op de Lofoten Eilanden hebben overleefd. (Deze eilanden waren ijsvrij tijdens de laatste IJstijd)

De Italiaan, Piero Overini, leed schipbreuk in januari 1432 bij Sandøen tijdens een storm en werd gevonden met de laatste overlevende leden van zijn bemanning door een arme visser en zijn zonen. Het eiland Sandøen is een klein, onbewoond eiland onder het eiland Røst., Toen Overini weer in Italië was schreef hij een boek waarin hij het land, de bevolking, en de fauna beschreef. Deze omschrijving van het land van de winter en de middernachtzon hebben zeker velen aangezet om noordwaarts te reizen om de bevolking en natuur van het Noorden te bestuderen. Één hiervan was de Italiaan Francesco Negri. Hij reisde naar Finmark in 1664-65 en beschreef de vangst van papegaaiduikers door Lundehunds. Zo deed ook de dichter van het Noorden, Petter Das (1647-1707) in zijn onsterfelijk boek, Trompet van het Noorden. Er is treffende overeenkomst tussen Negri en Das, vrij onafhankelijk van elkaar. Negri beschrijft Finmark en zijn boek werd gedrukt in Padua in 1700, de Trompet van Petter Das' van het Noorden werd geschreven aan het eind van 1600 maar werd pas gepubliceerd na zijn dood. Petter Das zegt, in zijn inleiding, dat hij nooit in het noorden van Helgeland was geweest: hij verkreeg al zijn informatie over de vangst van papegaaiduikers en over Lundehunds van het eiland Lovunden. Dit opmerkelijke eiland is het grootste broedgebied van de wereld voor papegaaiduikers en wetenschappers bezoeken het vaak. Al in 1591 vertelt Erik Hansen Schønnebøl van de nesten van papegaaiduikers in de ontoegankelijke gebieden en zegt dat "men ze niet uit deze diepe nest-spleten kan krijgen tenzij men een behendige hond heeft die in de passages kan kruipen om de vogels daaruit te slepen." Schønnebøl plaatste deze beschrijving in zijn hoofdstuk over Værøy. De Lundehunds werden dus in ieder geval in die tijd al voor dit werk gebruikt. Nicolei Jonge beschrijft Lundehunds en het gebruik van de hond in 1779, zoals ook de Duitse geoloog Christian Leopold von Buch, in 1807. De Lundehund komt ook voor in IJsland, omdat Sven Nilson hen in "Skandinavische Fauna", in de eerste helft van 1800 heeft beschreven: "dit hondenras, dat de naam IJslandse Schaapshond heeft, kwam met de kolonisten uit Noorwegen naar IJsland. Hetzelfde ras vinden we in opmerkelijke aantallen op eilanden ten noorden van Trondheim, vooral in gebieden waar de papegaaiduikers broeden. Deze hond heeft dezelfde grootte als een vos, heeft een roodachtige bruine of zwarte kleur en wordt ingezet voor de jacht op papegaaiduikers en andere overzeese vogels die hun eieren in holen en spleten van de klippen leggen."

In 1850 gingen de mensen de papegaaiduiker met netten vangen, dit was noodzakelijk omdat de papegaaiduiker door de jacht met de honden begon te verdwijnen. Maar er moet wel opgemerkt worden dat er een groot verschil was tussen de honden die gebruikt werden op de Lofoten en de honden die aan de kust van Finmark gebruikt werden. Vandaag bestaan slechts de Senja honden (Senja is een groot eiland van de Lofoten) en Lundehunds (deze worden ook wel Måstadhonden genoemd ). Måstad, op Værøy dankt zijn naam aan Koning van de Vikingen, Koning Maas. Zijn koninkrijk bestond uit schapen en geiten en destijds was de Lundehund zowel een vogeljachthond als schapenhoeder. Måstad, zoals eerder vermeld, was zeer geïsoleerd en dit verklaart waarom de Lundehund overleefde zonder gekruist te worden met andere hondenrassen. De Lundehund is dus het oudste hondenras van het Noorden. Op het eiland Værøy waren in die tijd ongeveer 30 hoeves en de bevolking bestond uit ongeveer 150 personen. Het aanleggen van een wintervoorraad was moeilijk en daarom gingen de bewoners van Måstad nooit de winter in zonder 3 tot 4 vaten van ongeveer 400 gezouten jonge papegaaiduikers per vat.

De Papegaaiduiker

De Papegaaiduiker, behorende tot de Alkachtigen, leeft in grote kolonies in gaten en ondergrondse holen, met vele broedvogels in elk hol.
Hij wordt in grote aantallen aangetroffen op het westelijke deel en het noorden van de Lofoten. De broedperiode is 40 dagen. Als de jonge vogels 40 dagen oud zijn moeten ze voor zichzelf zorgen. De papegaaiduiker komt in maart-april naar de broedplaats. Voordat ze hun nesten verlaten, maken ze de ruimtes schoon zodat ze het volgende jaar weer in een schone omgeving komen. Ze verzamelen al het gebruikte materiaal in hun snavel en begraven het onder de rotsen of het mos. De papegaaiduiker verlaat het "Fjeld" ( Noors woord voor een bergweide, rotsen) rond 23 augustus. In een goed jaar zijn de jonge papegaaiduikers zo dik en zwaar dat ze niet uit de holen kunnen komen. Maar na een paar dagen zonder eten hebben ze zoveel gewicht verloren dat het toch lukt. Maar ze kunnen nog niet vliegen en worden door hun ouders over de berghelling gedrukt, wat een niet al te prettige ervaring is. Velen vallen op de klippen en overleven deze val niet. Deze ongelukkigen worden door de Lundehund verzameld. Soms gaan de oudere vogels de jongen voor en proberen ze zo naar het water te lokken. Soms ook lukte het de ouderen om onder de jongen te gaan vliegen en ze zo over de rotsen in de zee te krijgen.

Er waren verschillende regels voor de papegaaiduikervangst. De jacht op jonge vogels begon vroeg in augustus en duurde 2-3 weken. De vogels zaten altijd vrij hoog op de hellingen en verzamelden zich op een grote steen die de naam "Food-Table" kreeg.
De Alk en de zeekoet waren zout. Jonge papegaaiduikers die nog niet kunnen vliegen waren geen lekkernij, volgens de specialisten. De meeste jonge vogels verlaten de broedplaats samen met hun ouders, maar er blijven ook altijd wel vogels achter, omdat ze te laat geboren zijn of omdat er iets aan mankeert. Hierop werd veel gejaagd. Ze werden "zure jonge papegaaiduikers" genoemd, omdat zij broodmager waren en ze werden in een mengsel van zure melk en water worden gekookt, omdat ze anders nergens naar zouden smaken.
Nam nam was een delicatesse, verse papegaaiduiker die aan lijnen werden gedroogd.
Snadderet was het eten van de zondag, vooral als er aardappels voor handen waren. Jonge papegaaiduikers werden van hun veren ontdaan, de huid werd met een speciaal mes van de vogel gehaald. Dan werden ze lang gekookt, met een scherp mes geopend en losgevouwen, en geroosterd onder een gewicht, niet zomaar een oude steen of stuk hout, maar onder de "jonge papegaaiduikersteen" of "jonge papegaaiduikerstok".
Vlak voor het opdienen werden ze in een zeer hete oven gedaan, zodat ze knapperig en bruin werden. Ze werden geserveerd met Noors brood en nieuwe aardappels, en veel zout en peper. Dit was een delicatesse. Het dagelijkse eten was soep, waarvoor het vlees van de beenderen werd gepeld.
Voor de bevolking was dit alles smakelijk voedsel, maar zoals Petter Das opmerkte: "alles smaakt naar vis, omdat papegaaiduikers ook van vissen leven".
Het verminderen van de populatie van de papegaaiduiker had ook invloed op de bevolking, omdat de jacht een welkome toevoeging was op hun inkomen verworven van de visserij en de kleine landbouw. Papegaaiduikers waren daarom van enorme waarde.

De Jacht

Op Fugleoya (het Eiland van de Vogel) in Gildeskal in 1880 had een goede Lundehund evenveel waarde als een koe.
De inwoners van Måstad hebben altijd gezegd dat je daar altijd een onvergelijkelijk lawaai van honden hoorde, en dit was zeker niet overdreven. In het algemeen leidden de vrouwen en de oudere jongens de jacht, en genoten vaak van een comfortabele koffiepauze bij de "Food-Table" om middernacht onder het licht van de middernachtzon. Het werd als goed beschouwd als een hond 30 vogels in een nacht ving, zodat een jager 2 tot 3 Lundehunds moest houden om een goede vangst, 80 tot 90 vogels, te hebben. Maar er waren honden die 80 vogels in één jacht konden vangen. Één hond ving zelfs 130 vogels! De papegaaiduiker is geen apathische vogel die enkel
wacht tot het lot hem overvalt. Zijn krachtige bek is een uitstekend wapen.. Het is gebeurd dat de vogel terugvocht, hoewel dat niet vaak het geval was, en dat de hond met bebloede oren uit de strijd kwam
Als een puppy zo ongelukkig was om een zodanige strijdbare papegaaiduiker te ontmoeten als hij voor de eerste keer op jacht was, kon hij voor de rest van zijn leven bang zijn. Het was onvermijdelijk dat er soms een hond gewond raakte of verdween. De losse stenen konden plotselinge gaan schuiven; ook gebeurde het dat de hond wel in maar niet meer uit een nauwe doorgang kon komen en de eigenaar kon niets anders doen dan toekijken. Ook één van beste Lundehunds, oude Lord, gebeurde dit. Zijn eigenaar heeft lange tijd geprobeerd hem aan te sporen om uit de doorgang te komen, maar het lukte niet. De eigenaar probeerde zichzelf gerust te stellen door te zeggen dat
Lord op zijn laatste jacht was geweest; maar drie dagen later kwam Lord weer naar huis, zichtbaar vermagerd, maar verder in goede vorm, de vlugge gewicht-verliezende behandeling had hem gered. Ook mensen zijn verongelukt. Één verkeerde stap zou de dood kunnen beteken, vooral de vaste riem was gevaarlijk. (een riem die om de taille gebonden werd en waaronder de gevangen vogels werden bewaard.) Als er geen ruimte meer was, dan gebruikte men de eigen riem. Het kon echter zo zwaar worden, dat men het evenwicht verloor en daardoor naar beneden viel.
De jagers gingen over op het gebruik van los-riemen (niet aan de taille vastgemaakt), die naar één kant zouden kunnen worden geslingerd als er een ongeval dreigde. (Het pad op de klippen was vaak niet meer dan 1 meter breed.)

Een wetenschapper vertelt van een keer dat hij een afspraak om te gaan jagen had met een dienstmeisje van een boerderij. Om 02.30 uur stond het meisje midden in het veld en floot en 6 Lundehunds kwamen blaffend bij haar.
De honden waren klein, hadden spitse neuzen, korte benen, en de staarten waren de helft van de lengte van hun lichaam. Toen de honden jachtgebied bereikten, verspreidden zij zich gelijk over het terrein en kropen direct in de holen. Er waren 5 "erkende jagers" op het eiland, waarvan er slecht drie 3-5 honden hadden waarmee zij joegen.

Erik Pontoppidan, de bisschop in Bergen, schreef, in de "The First Attempt toward a Natural History of Norway" (1753): "De honden worden gedeeltelijk opgeleid voor de jacht, vooral voor de berenjacht, omdat de beer de kleine honden niet gemakkelijk te pakken kan krijgen en daarom schrikt de kleine hond het meest af. Voor vogeljacht, worden de honden grotendeels opgeleid in de Noordelijke streken, waar gunstige omstandigheden voor de vogeljacht zijn, en elke landbouwer houdt 12 tot 14 van dergelijke kleine honden. De boer verdient aan de vangst vaak meer dan aan de opbrengst van zijn eigen werk. Geen landbouwer mag meer Lundehunds bezitten dan zijn buurman, anders ontstaat er een kleine strijd tussen hen. Dertien is daarom vaak de "telling" van Lundehunds."

De hondenliefhebber, Sigurd Skaun, was de eerste die de Lundehund "ontdekte". In diverse artikelen uit de jaren 1500 werden honden vermeld die voor de papegaaiduikerjacht op Værøy en Lovunden werden gebruikt. Toen hij die artikelen las, bedacht Skaun zich dat sommige van deze honden nog moesten bestaan, en hij begon met zijn onderzoek door bewoners van de streken aan te schrijven. Hij ontving een antwoord van Lovuden: de bewoners hadden daar van oudere mensen gehoord dat er dergelijke honden op het eiland waren geweest, maar zij waren allemaal verdwenen.
Hij hoorde echter niets van Værøy, daarom schakelde hij de postbeambte Lange, van Bodø in en die op zijn beurt vroeg de postbode van de veerboot van Værøy om hulp. Op deze manier kreeg Skaun veel interessante informatie. Lundehunds waren nog steeds bekend op Værøy en werden nog gebruikt voor papegaaiduikerjacht. Hij schreef een artikel over het ras, in een Noors tijdschrift voor jagers en vissers, in 1925. De titel was: "A Norwegian Breed of Bird-dog which is on the road to Oblivion."
Hij eiste dat de Noorse Kennelclub het ras zou erkennen, maar de Club was niet geïnteresseerd. Olaf Holm drukte zich sceptisch uit over het ras, want hij dacht dat de "Hond van Værøy" dezelfde zou zijn als de Buhund; maar zou de "Hond van Værøy", wat niet waarschijnlijk was, toch uniek blijken te zijn, dan zou het als dusdanig moeten worden erkend. Later erkende de Noorse Kennelclub het ras, maar het heeft enige tijd geduurd alvorens de Club inzag dat zij met een zeldzaam hondenras te doen hadden.

In 1937, las Eleanor Christie het artikel van Skaun en ze wilde het ras beter leren kennen. Tijdens een treinreis, ontmoette Mevr. Christie een politieke ambtenaar van Røst en zij spraken over Lundehunds. Hij beloofde sommige Lundehunds voor haar te zoeken. Maar dit bleek moeilijk, want op Røst was er een aanzienlijke teruggang in het aantal omdat de bewoners daar al lange tijd de vogels met netten hadden gevangen Daardoor waren de honden overbodig en kregen niet meer genoeg te eten. Ze gingen de schapen aanvallen. De gemeente stelde een belasting in van 8 kronen voor elke hond. Dit was heel wat geld toen en deze maatregel vroeg om een vlugge oplossing voor het probleem van de honden, in een paar jaar waren zij allen, op een enkeling na, verdwenen. De paar overgebleven honden werden met andere rassen gekruist.
Uiteindelijk kwam hij in contact met Monrad Mostad in Måstad, hij was visser en landbouwer in het zuidwestelijke deel van Værøy, en hij joeg met Lundehunds. Daar waren de mensen afhankelijk van Lundehunds want geen ander ras kon het werk van deze kleine getrainde honden uitvoeren. Er was geen ander ras bekend in Måstad en Lundehunds waren zuivere rashonden. Hoewel de inteelt vrij uitgebreid was, was het ras op geen enkele manier gedegenereerd. De inteelt is zeker ook de reden dat de Lundehund zo uniek is. Op dat ogenblik waren er ongeveer 50 honden. De hondenbelasting op Værøy in 1895 bedroeg 2 kronen per hond. Toen dit in 1904 werd verhoogd naar 10 kronen per hond, was er veel weerstand. Værøy vormde een uitzondering, daar bleef de belasting 2 kronen. Later werd de belasting afgeschaft voor de "unieke Lundehund", en zij werden vrijgesteld in Måstad, Asker, en Børum, daar vinden we vandaag de dag de meeste Lundehunds. Maar de meerderheid betaalt een belasting voor hun Lundehund.
Monrad Mostad had 4 grote puppies voor Eleanor Christie en zij allen werden
ingeënt tegen hondsziekte (de ziekte was al op Værøy gesignaleerd). Deze vier waren de teefjes Hild, Lucy, en Urd, en het reutje Ask. Mevr. Christie kreeg ze in februari 1939. . De populatie was gegroeid tot 60 Lundehunds in 1943, hetzelfde jaar dat Noorse Kennelclub de Lundehund erkende als onafhankelijk ras.

In 1942 kwam de hondenziekte opnieuw op Værøy en vanwege de oorlog was het onmogelijk om het vaccin te krijgen, zodat alle honden stierven op één na. En één hond kan nooit voor nageslacht zorgen. Mostad riep de hulp van Mevr. Christie in. Zij verzond onder buitengewoon moeilijke omstandigheden en met behulp van de auteur Carl Schoyen, twee zwangere teefjes en twee puppies naar Værøy, deze honden hebben er voor gezorgd dat het ras niet zou uitsterven. Hoewel Otter, één van de twee puppies, nog nooit op jacht was geweest, ving hij de eerste keer dat Monrad Mostad hem meenam al 14 papegaaiduikers en de volgende dag ving Otter er 80. Otter heeft ook het leven van een meisje gered. Zij was op de bergweiden schapen aan het zoeken die buiten de groep waren geraakt. Het regende en stormde, de weg was gevaarlijk, en vele dieren waren naar beneden gevallen. Het meisje viel achteruit en begon van de rotsen naar beneden te rollen. Otter kon haar kleding met zijn tanden grijpen en hield net zo lang vast tot zij zelf haar handen en voeten kon gebruiken om naar boven te klauteren en zichzelf zo weer in veiligheid kon brengen.

Ook de honden van Mevr. Christie's werden in 1944 ziek en ze stierven allemaal, behalve de reu, Ask-- hij was 9 jaar oud toen hij in 1947 stierf, en hij naar het Zoölogische Museum in Bergen gebracht. Als dank voor haar hulp eerder, stuurde Monstad haar twee nieuwe puppies in 1950, maar deze kregen geen nestjes. Mevr. Christie kreeg geen hulp of steun van Noorse Kennelclub, en kon niet langer een kennel runnen, omdat haar echtgenoot een lange tijd ziek was en uiteindelijk stierf. Maar zij gaf niet op. Nogmaals nam Mevr. Christie de taak op zich om de Lundehunds te redden. Monrad Mostad was niet vergeten dat het Eleanor Christie was die hem tijdens de oorlog had geholpen, en hij stuurde haar 3 puppies, van hetzelfde nest, geboren op 31 januari 1960.

Één paar hiervan kreeg drie puppies op 12 augustus 1961. De belangstelling voor de Lundehund nam nu toe. Dr. Carl Frimann Calusen (vice-voorzitter en later voorzitter van de Noorse Kennelclub), kreeg met de hulp van Mevr. Christie's, een mannelijke Lundehund van Mostad. En later redde hij een reutje dat men wilde doden, dit was Buster, die heel erg belangrijk zou worden bij het fokken van de Lundehund.

In 1963, verloor Mostad al zijn eigen honden, zodat er geen één rasechte Lundehund meer op Værøy was. Opnieuw schoot Mevr. Christie te hulp en stuurde twee puppies, met een vliegtuig. Ze arriveerden op Monrad Mostads 75e verjaardag.

De Noorse Lundehund Club werd opgericht in 1962 met de bedoeling om het ras te bewaren en te verbeteren De club had een uitstekende basis waarop ze kon bouwen, omdat bijna alle honden in één plaats verzameld waren en de Club kon vanaf het begin starten, volledige kennis van de stamboom van elke hond.

Nu kunnen wij met zekerheid zeggen dat de Lundehund voor uitsterven werd behoed. Het verhaal van hoe de Lundehund een tweede en nog eens een derde keer van de ondergang werd gered is net zo opmerkelijk als het ras zelf. Het is maar goed dat Lundehund zelf niet weet hoeveel unieke kenmerken hij heeft, anders zou hij ontzettend verwaand zijn en niet zo gemakkelijk om mee te leven. Maar in werkelijkheid is Lundehund een bijzonder loyale, oplettende, intelligente, aardige en hartelijke kleine hond. Hij wordt omschreven door degene die er één hebben als levendig, betoverend en speels. Gelukkig en altijd in topvorm als metgezel voor flinke wandeling. Enigszins koppig af en toe, maar in het algemeen gehoorzaam, en -- niet de minste van zijn deugden -- toegewijd zo als maar weinig anderen zijn.

Het originele verhaal in het Deens is van Inger Kristiansen, 1968
Vertaling in Engels van Julia McGrew, 1977
(De originele versie van dit artikel was mede gecreëerd door Inger en
Aksel Kristiansen uit Denemarken. De naam en de datum van de
publicatie zijn onbekend. Dit artikel bevat materiaal dat niet in de originele versie voorkomt.)
Foto's zijn gemaakt door:
Frances Wagner van haar recente CH (CKC) Nondas Thicketwood Bjarni. Dank Frances voor het delen van deze foto's met ons.
© 2004 NLCA, Inc. Rev. 4/04

Kennel Lundeklippe, Geregistreerd Raad van Beheer sinds 2005 onder nr. 264452. Lid v.d Scandia Rasvereniging, Norsk Kennelklub en Norsk Lundehundklubb